To the waters and the wild

Het gedicht ‘The stolen child’ van de Ierse dichter W.B. Yeats is al zo lang als ik me kan herinneren één van mijn lievelingsgedichten. Het is een beetje een triest verhaal, over een kind dat gestolen wordt door elfen. Maar het spreekt ook van een verlangen naar de wilde natuur en naar een betere plek, op de vlucht voor de soms harde werkelijkheid. En ik denk dat we dit gevoel allemaal weleens hebben. Ik hoop altijd dat mijn schilderijen een beetje hetzelfde kunnen bereiken; dat ze je meenemen naar een andere, fantasievolle plek.

De plek waardoor Yeats zich voor dit gedicht liet inspireren bestaat trouwens echt. Deze zomer ga ik naar Ierland en ik ga zeker proberen deze plek te bezoeken! Het lijkt me prachtig om te zien waar dit mooie gedicht haar oorsprong heeft. De plekken die de inspiratiebron vormen voor mijn werk zie je op de foto’s bij dit bericht. Ze zijn genomen in de Amsterdamse Waterleidingduinen. Een prachtig gebied dat, gelukkig, nog exclusief voor wandelaars is en waar je heerlijk van de paden af mag struinen.

Hopelijk geniet jij net zo van dit gedicht als ik:

The Stolen Child by W.B. Yeats

Where dips the rocky highland
Of Sleuth Wood in the lake,
There lies a leafy island
Where flapping herons wake
The drowsy water rats;
There we’ve hid our faery vats,
Full of berrys
And of reddest stolen cherries.
Come away, O human child!
To the waters and the wild
With a faery, hand in hand,
For the world’s more full of weeping than you can understand.

Where the wave of moonlight glosses
The dim gray sands with light,
Far off by furthest Rosses
We foot it all the night,
Weaving olden dances
Mingling hands and mingling glances
Till the moon has taken flight;
To and fro we leap
And chase the frothy bubbles,
While the world is full of troubles
And anxious in its sleep.
Come away, O human child!
To the waters and the wild
With a faery, hand in hand,
For the world’s more full of weeping than you can understand.

Where the wandering water gushes
From the hills above Glen-Car,
In pools among the rushes
That scarce could bathe a star,
We seek for slumbering trout
And whispering in their ears
Give them unquiet dreams;
Leaning softly out
From ferns that drop their tears
Over the young streams.
Come away, O human child!
To the waters and the wild
With a faery, hand in hand,
For the world’s more full of weeping than you can understand.

Away with us he’s going,
The solemn-eyed:
He’ll hear no more the lowing
Of the calves on the warm hillside
Or the kettle on the hob
Sing peace into his breast,
Or see the brown mice bob
Round and round the oatmeal chest.
For he comes, the human child,
To the waters and the wild
With a faery, hand in hand,
For the world’s more full of weeping than he can understand.

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *